Een cholera-epidemie in 1868 was de aanleiding in Utrecht om te gaan denken aan, zoals met het noemde, een ‘kostbaar waterleidingnet’. Tussen 1870 en 1871 leverden vier van de vijftig openbare pompen geen water meer. Van de overige 46 was van maar zestien het water ‘zonder gevaar’ te gebruiken. Van de 6.000 particuliere pompen leverden er nog maar 1.500 grondwater van goede kwaliteit.